HomilíaKrijtberg
Cristo Rey
Traducción automática, verificada de forma independiente · Christus Koning
Fecha según el nombre del archivo de la iglesia.

Hermanos y hermanas, humanamente hablando, el contraste no puede ser mayor: celebramos la solemnidad de Cristo, Rey del universo, y el Evangelio nos recuerda la crucifixión de Jesús, que es ridiculizado y burlado. Sobre su cabeza cuelga un letrero: Iesus Nazarenus, Rex Iudaeorum, es decir, Jesús de Nazaret, rey de los judíos. ¿Cómo llegamos a celebrar esta fiesta y a reconocer tanto su realeza terrena como su realeza celestial?
Para ello debemos ante todo volver a la primera lectura, al rey David. Este rey David, tan acertadamente representado en la escultura de Miguel Ángel, fue rey de Israel hacia el año 1000 antes de Cristo. Es ungido rey por tres razones: Él pertenece a su propio pueblo. Eso es una. Conocen y aprecian sus cualidades de liderazgo. Eso es dos. Porque cuando el rey Saúl todavía reinaba, David era quien obtenía las victorias. Pero como razón más importante se menciona en el segundo libro de Samuel: Dios mismo lo ha designado como rey. Ya desde joven David es ungido por el profeta Samuel en Belén. Esto se describe en un hermoso pasaje del primer libro de Samuel. El profeta visita a Isai, o sea Jesé, quien le presenta a todos sus hijos. Excepto a uno, el menor, que está pastoreando ovejas. Entonces Samuel dijo a Jesé: 'Manda por él, porque no nos sentaremos a la mesa hasta que él llegue.' El muchacho viene y el Señor habla: 'Levántate y úngelo, porque es este.' Y desde ese momento el espíritu del Señor se apodera de David. Dios elige al humilde pastor para que sea rey.
Entre Jesús y David hay, pues, unos 1000 años, pero Jesús es llamado Hijo de David, porque José, el esposo de María, era un lejano descendiente del rey David. Varios Padres de la Iglesia han dicho que también María era una descendiente de David.
Con Cristo Rey celebramos la realeza de Jesús, el Mesías, el Ungido. ¡Qué distinta es su realeza de la de David y de la de todos los otros reyes! Él debe sufrir la humillación definitiva y el gran sufrimiento mediante su crucifixión. Precisamente entonces, cuando Él está colgado en la cruz, surge una discusión sobre su realeza. 'A otros ha salvado; que se salve a sí mismo si es el Mesías.' Es precisamente uno de los otros dos condenados a muerte, a quien conocemos como 'el buen ladrón', quien reconoce la realeza de Jesús. 'Jesús, acuérdate de mí cuando llegues a tu reino.' Y como Jesús también hizo durante su vida terrena, Él escuchaba los deseos de la gente sencilla, de los enfermos y de las personas que debían vivir con una discapacidad física. Así lo hace también ahora, poco antes de su muerte: Él escucha el deseo del ladrón que teme al Señor. 'En verdad te digo: hoy estarás conmigo en el paraíso.'
Queridos hermanos, la realeza de Jesús es de una naturaleza completamente distinta a la de todos los otros reyes y reinas. Él es el Alfa y la Omega, el principio y el fin, el rey del universo. Él es Aquel que puede conducirnos al paraíso.
Los signos de su Realeza ya son visibles ahora: Cristo es la cabeza de la Iglesia. Él reúne a las personas, como nosotros estamos reunidos aquí en un frío día de noviembre. Él reúne a grandes multitudes, como en las Jornadas Mundiales de la Juventud, o en línea, por ejemplo los 18,6 millones de personas que siguen al Papa León en X. Celebramos en la fiesta de Cristo Rey que Jesús es el primero que resucitó de entre los muertos, para ser el primero en todo. Gracias a Él también nosotros podemos vivir en la luz y participar en la herencia de los santos. En Él todas las cosas del cielo y de la tierra son reconciliadas y nosotros podemos vivir en paz. Amén.
Texto original · Neerlandés
Christus Koning
Broeders en zusters, menselijk gezien kan het contrast niet groter: we vieren het hoogfeest van Christus, Koning van het heelal en het Evangelie herinnert ons aan de kruisiging van Jezus, die wordt uitgelachen en bespot. Boven zijn hoofd hangt een bordje: Iesus Nazarenus, Rex Iudaeorum, ofwel Jezus van Nazareth, koning der joden. Hoe komen we ertoe dit feest te vieren en zowel zijn aardse als zijn hemelse koningschap te erkennen?
Daarvoor moeten we allereerst terug naar de eerste lezing, naar koning David. Deze koning David, zo treffend uitgebeeld in het beeldhouwwerk van Michelangelo, was koning van Israël rond het jaar 1000 voor Christus. Hij wordt tot koning gezalfd, om drie redenen: Hij behoort tot hun eigen volk. Dat is één. Ze kennen en waarderen zijn leiderskwaliteiten. Dat is twee. Want toen koning Saul nog regeerde, was David degene die overwinningen behaalde. Maar als belangrijkste reden wordt in het tweede boek Samuël genoemd: God zelf heeft hem als koning aangewezen. Al op jonge leeftijd wordt David door de profeet Samuël gezalfd in Bethlehem. Dit wordt beschreven in een mooie passage in het eerste boek Samuël. De profeet komt bij Jisjai, ofwel Jesse op bezoek, die hem al zijn zonen voorstelt. Op een na, de jongste, die is schapen aan het hoeden. Daarop zei Samuël tot Jesse: ‘Laat hem dan halen, want we gaan niet aan tafel, voordat hij hier is.’ De jongen komt en de Heer spreekt: ‘Sta op, hem moet gij zalven, hij is het.’ En vanaf dat moment maakt de geest van de Heer zich van David meester. God kiest de eenvoudige herdersjongen uit om koning te worden.
Tussen Jezus en David zit dus ongeveer 1000 jaar, maar Jezus wordt Zoon van David genoemd, omdat Jozef, de man van Maria, een verre nazaat van koning David was. Verschillende kerkvaders hebben gezegd dat ook Maria een nazaat van David was.
Met Christus Koning vieren wij het koningschap van Jezus, de Messias, de Gezalfde. Hoe anders is zijn koningschap dan dat van David en van alle andere koningen! Hij moet de ultieme vernedering en groot lijden ondergaan door zijn kruisiging. Juist dan, wanneer Hij aan het kruis hangt, ontstaat er een twistgesprek over zijn koningschap. ‘Anderen heeft Hij gered, laat Hem nu zichzelf redden als Hij de Messias is.’ Het is nota bene één van de andere twee ter dood veroordeelden, die wij kennen als ‘de goede moordenaar’, die Jezus’ koningschap erkent. ‘Jezus, denk aan mij wanneer Gij in uw koninkrijk zijt gekomen.’ En zoals Jezus ook deed tijdens zijn aardse leven, hij verhoorde de wensen van eenvoudige mensen, van zieken en van mensen die met een lichamelijke beperking moesten leven. Zo doet Hij ook nu, vlak voor zijn dood: Hij verhoort de wens van de moordenaar die de Heer vreest. ‘Voorwaar, Ik zeg u: vandaag nog zult gij met Mij zijn in het paradijs.’
Beste mensen, het koningschap van Jezus is van een geheel andere aard dan dat van alle andere koningen en koninginnen. Hij is de Alpha en de Omega, het begin en het einde, de koning van het heelal. Hij is Degene die ons kan leiden naar het paradijs.
De tekenen van zijn Koningschap zijn nu al zichtbaar: Christus is het hoofd van de Kerk. Hij brengt mensen bijeen, zoals wij hier samen zijn op een koude novemberdag. Hij brengt grote menigten bijeen, zoals bij de Wereldjongerendagen, of online, bijvoorbeeld de 18,6 miljoen mensen die Paus Leo volgen op X. We vieren op het feest van Christus Koning dat Jezus de eerste is die uit de dood is opgestaan, om in alles de hoogste te zijn. Dankzij hem kunnen ook wij leven in het licht en delen in de erfenis van de heiligen. In Hem zijn alle dingen in de hemel en de aarde verzoend en kunnen wij leven in vrede. Amen.
Abrir el PDF · p. 1 ↗De: hoja de homilía · 23 de noviembre de 2025
Texto íntegro, reproducido con permiso de la parroquia. (PDF, 2 páginas)