PreekKrijtberg19de zondag door het jaar
Wandelen over water

Het gebulder van de golven
De Bijbel is een boek over God en mensen. Het is geen theologisch handboek, maar voor een groot gedeelte een verhalenboek. Dat geldt ook voor het evangelie van vandaag. Het is een beeldverhaal, een vertelling waarin beelden worden gebruikt, die verwijzen naar een andere werkelijkheid. Het water van het meer waar de leerlingen van Jezus op voeren, de tegenwind die ze hadden en de golven waardoor de boot werd geteisterd, verwijzen naar de oervloed, naar chaos, gevaar en ondergang. In een psalm wordt het gebulder van de golven vereenzelvigd met het tumult van de volken (ps. 65:8). Daar kun je van alles onder verstaan, tot en met de oorlog in Oekraïne.
U heerst over de hoog rijzende zee en brengt de golven tot rust
Jezus die op het water loopt en de wind doet liggen doet denken aan God, die in een psalm op de volgende manier wordt toegesproken: U heerst over de hoog rijzende zee – verheffen zich haar golven, U brengt ze tot rust (ps. 89:10).
In het tumult van de golven horen de leerlingen in de boot Jezus zeggen: Houd moed! Ik ben het, wees niet bang! Jezus bezweert hun angst door te verwijzen naar de Godsnaam IK ZAL ER ZIJN (Ex. 3:14), Ik zal bij je zijn (Ex. 3:12). We kunnen ook denken aan wat Jesaja God laat zeggen: Wees niet bang, want Ik ben bij je, vrees niet, want Ik ben je God (Jes. 41:10). In de gestalte van Jezus is God zijn mensen nabij.
Petrus
Petrus representeert de leerlingen in de boot. Hij zegt: Heer, als U het bent, zeg me dan dat ik over het water naar U toe moet komen. Jezus nodigt Petrus dan uit: Kom! We lezen hoe Petrus uit de boot stapt en op het water naar Jezus toeliep. Maar toen hij voelde hoe sterk de wind was, werd hij bang, en begon hij te zinken. Petrus was geroepen om evenals Jezus over het water te lopen, om zoals God zelf over de hoog rijzende zee te heersen. Zolang hij de ogen gericht hield op Jezus kon hij zich staande houden, maar zodra hij de wind hoorde en de golven zag, werd hij bang. Hij raakte in paniek en zakte weg, het water in. Geloof en gebrek aan vertrouwen gaan hier hand in hand. Ook elders in het evangelie blijkt Petrus twee kanten te hebben. Jezus noemt hem rots (Mt. 16:18), maar kort daarna Satan, valstrik, omdat hij niet denkt aan wat God wil, maar alleen aan wat mensen willen (Mt. 16:23). Later is Petrus flink wanneer hij Jezus volgt tot in het paleis van de hogepriester (Mt. 26:58), maar weldra is hij zo laf dat hij tot driemaal toe zegt Jezus niet te kennen (Mt. 26:70-74). Maar berouw en vergeving hebben het laatste woord. Petrus, die Jezus driemaal verloochend had, kreeg later, toen Jezus na zijn opstanding aan de leerlingen bij het Meer van Tiberias verscheen, de kans om driemaal zijn overgave aan de verrezen Christus te betuigen (Joh. 21:15-17). Terug naar Petrus die overmeesterd werd door angst, toen hij de wind voelde en de golven zag. Petrus twijfelde niet aan de macht van de Heer, maar aan zichzelf. Zijn angst overwon zijn geloof en hij begon te zinken en schreeuwde het uit: Heer, red me. Jezus strekte zijn hand uit en greep hem vast.
Gods reddende hand
Het gebaar van de uitgestrekte en reddende hand is een Bijbels beeld dat op Jezus wordt toegepast. We lezen over Gods reddende hand in de psalmen: Hij bood hulp van omhoog, greep mij vast en trok mij op uit de woeste wateren (18:17), Reik mij uw hand van omhoog, bevrijd mij, ontruk mij aan de woeste wateren (144:7).
Het gebaar van Gods reddende hand vinden we ook bij de profeet Jesaja. Hij laat God aan het woord: Wees niet bang, want Ik ben bij je, vrees niet, want Ik ben je God... Want Ik ben de HEER, je God, ik neem je bij je rechterhand en zeg je: Wees niet bang, Ik zal je helpen. Wees niet bang, kleine Jacob, arm volk van Israël, Ik zal je helpen - spreekt de HEER – (Jes. 41:10.13-14).
Het schip van de kerk
Toen Mafeüs het verhaal van de leerlingen in de boot opschreef, dacht hij aan het schip van de kerk, de eerste gemeente, bedreigd en vervolgd. Het is voor ons niet moeilijk om dit beeld van de boot in de kolkende zee toe passen op de kerk van vandaag. De kerk verkeert in de gevarenzone: getalsmahg krimpt zij, althans in onze streken. Wat de kerk te zeggen heei wordt overstemd door het tumult van reclame, die ons opzweept tot almaar meer consumphe. De laatste hjd gaat de kerk gebukt onder haar eigen verleden van gepleegd en verdrongen misbruik van kinderen, vrouwen en mannen. Zo is nog wel meer op te sommen.
Wanneer we ons laten verlammen door dit alles, verdrinken we. Maar de oproep aan Petrus Kom is ook tot ons gericht. Wanneer wij onze blik op Jezus als icoon van God gericht houden, kunnen ook wij over het water lopen. En wanneer we met het zicht op de woeste golven wegzakken, kunnen we evenals Petrus roepen: Heer, red me! Dan worden we meteen vastgegrepen door een reddende hand. De evangelielezing roept ons op om te luisteren naar het wees niet bang uit de mond van Jezus, om erop te vertrouwen dat ook ons een helpende hand geboden wordt. Wanneer we ons laten inspireren door het Bijbelse visioen van het Rijk van God, Gods nieuwe wereld van gerechhgheid en vrede, wanneer we in het Onze Vader blijven bidden Uw rijk kome, Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel, krijgen we nieuwe energie. Ons liturgisch samenzijn, ons persoonlijk gebed en de ontmoehng met God in onderling dienstbetoon kunnen ons een verankering geven om het leven met zijn onzekerheden en bedreigingen aan te kunnen.
Open de PDF · p. 1 ↗Uit: preektekst · 12 augustus 2020
Volledige tekst, overgenomen met toestemming van de parochie. (PDF, 2 pagina’s)