HomilíaKrijtbergZesentwintigste zondag door het jaar
Conversión y vida
Traducción automática, verificada de forma independiente · Bekering en leven
Fecha según el nombre del archivo de la iglesia.

Hubo un tiempo en el que todo parecía ir en buena dirección. Pero parece que esta fe en el progreso ha cedido entre tanto el lugar a un pensamiento catastrofista. Toda clase de hechos parecen dar la razón a los agoreros: catástrofes naturales y guerras lejos y cerca. Es como si estuviéramos determinados al declive y a la ruina.
Un pensamiento así existe en todos los tiempos. Ezequiel ya tuvo que enfrentarse a él, pero se le opone. En un tiempo en que se pensaba que los hijos debían pagar por los errores de sus padres, Ezequiel pronuncia una palabra en contra: ¿Por qué usáis en Israel este refrán: Si los padres comen uvas verdes, los niños sufren de dientes?... ¡nunca más deberá nadie en Israel tomar este refrán en su boca! (Ez. 18,2-3). Los hijos no están condenados porque sus padres fueron malos. En la primera lectura Ezequiel va más lejos, afirmando que usted tampoco está determinado por sus propias acciones malas del pasado. Él dice: El malvado que se aparta de su conducta impía y de ahora en adelante obra según el derecho y la justicia, vivirá (18,27). Pero también vale lo contrario: El justo que ya no se comporta con justicia sino que comete iniquidad, morirá… (18,26).
Ezequiel nos enseña, pues, que usted no está determinado por lo que otros hicieron antes de usted, pero tampoco por sus propias decisiones del pasado, por sus acciones de antes. Su futuro no está determinado por lo que usted fue en el pasado, sino por lo que usted es ahora. Esto tiene dos lados. Por una parte significa que el bien que hay en usted, su virtud, es contestado. Puede perderlo. No es un bien inalienable; debe apropiárselo una y otra vez. Pero por otra parte significa también que, cuando no lo ha hecho bien, usted recibe siempre nuevas oportunidades. También el mal no es un bien inalienable. Puede despojarse de él.
Finalmente, Ezequiel anima a sus oyentes señalando el hecho de que Dios quiere la vida: ¿Creen ustedes que Yo me complazco en la muerte del malvado? – dice Dios, el Señor. No, Yo quiero que se convierta y viva (18,23). Por eso Ezequiel termina su profecía con una llamada: ¡Conviértanse y vivan! (18,32). Nuestro futuro está en nuestras propias manos. Que este futuro sea vida depende de nosotros mismos. En cuanto a Dios: Él quiere que vivamos.
Hasta aquí el mensaje del profeta. Ahora el evangelio. Lo que Mateo tiene que decir no difiere mucho de la llamada de Ezequiel. Jesús cuenta una breve parábola sobre un padre que pidió a sus hijos que fueran a trabajar en su viña. Uno dijo sí, pero no fue. El otro dijo no, lo pensó de nuevo y fue de todos modos.
Aquel que dijo sí es el estamento religioso, los sumos sacerdotes y los ancianos. Están convencidos de que conocen y observan las reglas. Por eso no ven que cometen errores. No se dejan corregir por Juan el Bautista y Jesús. El otro, que dijo no y sin embargo lo hizo, son los publicanos y las prostitutas, los pecadores y los paganos. Se dejaron amonestar por Juan y por Jesús. Por eso ellos entran en el reino de Dios.
También en Mateo aparece, pues, que, igual que en Ezequiel, un pasado piadoso no es garantía, y la virtud no es un bien inalienable. Los sumos sacerdotes y los ancianos dijeron sí, pero no hicieron la voluntad del padre. Por otro lado: usted no está determinado por un pasado menos piadoso. Los publicanos y las prostitutas dijeron primero no y fueron de todos modos. Se reciben siempre nuevas oportunidades. El Reino de Dios permanece abierto para quien quiere.
Las palabras de Ezequiel y de Jesús nos despiertan para no dejarnos paralizar por el pasado. Aquellos que se creen prudentes y piadosos son exhortados a abrirse a la crítica. Y aquellos que no se consideran prudentes o virtuosos, sino que se sienten ansiosos y amenazados, inseguros e impotentes, decepcionados y amargados, son llamados a no dejarse determinar por este tipo de sentimientos. Estos sentimientos asfixian y paralizan y vuelven ciegos ante las nuevas oportunidades que se ofrecen. El Reino de Dios, el reino de paz y justicia, el nuevo mundo de Dios, solo puede venir cuando usted cree en su posibilidad. Este reino solo se hace realidad cada vez que usted lo elige. Nuestro no inicial siempre puede convertirse en un sí. Así, todos, piadosos o no piadosos, son llamados a convertirse una y otra vez, a no dejarse paralizar por sus propias opiniones y principios, o por sentimientos de impotencia y desesperación. Mediante las palabras de los profetas Ezequiel, Juan y Jesús, el Dios vivo nos saca de nuestra tienda para que permanezcamos en vida.
Texto original · Neerlandés
Bekering en leven
Er is een tijd geweest waarin alles de goede kant leek op te gaan. Maar het lijkt erop dat dit vooruitgangsgeloof intussen plaats heeft gemaakt voor een doemdenken. Allerlei feiten lijken de doemdenkers gelijk te geven: natuurrampen en oorlogen veraf en dichtbij. Het is alsof we zijn gedetermineerd tot achteruitgang en ondergang.
Een dergelijk denken is van alle tijden. Ezechiël had er al mee te maken, maar hij verzet zich hiertegen. In een tijd waarin men dacht dat de kinderen moesten boeten voor de fouten van hun ouders spreekt Ezechiël een tegenwoord: Waarom gebruiken jullie in Israël toch het spreekwoord: Als de ouders onrijpe druiven eten, krijgen de kinderen stompe tanden?... nooit meer mag iemand bij jullie in Israël dit spreekwoord in de mond nemen! (Ez. 18:2-3). Kinderen zijn niet verdoemd omdat hun ouders slecht waren. In de eerste lezing gaat Ezechiël verder door te stellen dat je ook niet bent gedetermineerd door je eigen verkeerde daden in het verleden. Hij zegt: Een slecht mens die zich afkeert van zijn goddeloze levenswijze en voortaan handelt naar recht en gerechtigheid, zal in leven blijven (18:27). Maar ook het omgekeerde geldt: Een goed mens die zich niet langer rechtvaardig gedraagt maar onrecht begaat, zal sterven… (18:26).
Ezechiël leert ons dus, dat je niet gedetermineerd bent door wat anderen vóór jou hebben gedaan, maar ook niet door je eigen beslissingen in het verleden, door je vroegere daden. Je toekomst wordt niet bepaald door datgene wat je in het verleden was, maar door wat je nu bent. Dit heeft twee kanten. Aan de ene kant betekent dit dat het goede dat in jou zit, jouw deugdzaamheid, aangevochten wordt. Je kunt het verliezen. Het is geen onvervreemdbaar bezit, je moet het je telkens eigen maken. Maar het betekent van de andere kant ook dat, wanneer je het niet goed hebt gedaan, je telkens nieuwe kansen krijgt. Ook het kwaad is geen onvervreemdbaar bezit. Je kunt het afleggen.
Ten slotte steekt Ezechiël zijn hoorders een riem onder het hart door te wijzen op het feit dat God het leven wil: Denken jullie dat Ik het toejuich als een slecht mens sterven moet? – spreekt God, de HEER. Nee, ik wil dat hij tot inkeer komt en in leven blijft (18:23). Ezechiël eindigt zijn profetie dan ook met een oproep: Kom tot inkeer en leef! (18:32). Onze toekomst ligt in onze eigen handen. Of deze toekomst leven is, hangt af van ons zelf. Wat God betreft: Hij wil dat wij leven.
Tot zover de boodschap van de profeet. Nu het evangelie. Wat Matteüs te zeggen heeft verschilt niet zo veel van de oproep van Ezechiël. Jezus vertelt een korte parabel over een vader die zijn zonen vroeg om te gaan werken in zijn wijngaard. De ene zei ja, maar ging niet. De andere zei nee, bedacht zich en ging alsnog.
Die ene die ja zei, is het religieuze kader, de hogepriesters en de oudsten. Zij zijn ervan overtuigd dat zij de regels kennen en onderhouden. Daarom zien ze niet dat ze fouten maken. Ze laten zich niet corrigeren door Johannes de Doper en Jezus. De andere die nee zei en het toch deed, zijn de tollenaars en de hoeren, de zondaars en de heidenen. Ze hebben zich laten gezeggen door Johannes en door Jezus. Daarom gaan zij het koninkrijk van God binnen.
Ook bij Matteüs blijkt dus dat, net bij Ezechiël, een vroom verleden geen garantie is, en deugdzaamheid geen onvervreemdbaar bezit. De hogepriesters en de oudsten zeiden ja, maar hebben de wil van de vader niet gedaan. Van de andere kant: je bent niet gedetermineerd door een minder braaf verleden. De tollenaars en de hoeren zeiden eerst nee en gingen toch. Je krijgt steeds nieuwe kansen. Het Rijk van God blijft open voor wie wil.
De woorden van Ezechiël en van Jezus wekken ons op om ons niet te laten verlammen door het verleden. Degenen die zich verstandig en vroom wanen worden aangespoord om zich open te stellen voor kritiek. En zij die zichzelf niet verstandig of deugdzaam vinden, maar zich angstig en bedreigd voelen, onzeker en machteloos, teleurgesteld en verbitterd, worden opgeroepen om zich niet te laten determineren door dit soort gevoelens. Deze gevoelens verstikken en verlammen en maken blind voor de nieuwe kansen die worden geboden. Het Rijk van God, het rijk van vrede en gerechtigheid, Gods nieuwe wereld, kan alleen maar komen wanneer je gelooft in de mogelijkheid ervan. Dit koninkrijk wordt alleen maar werkelijkheid, telkens wanneer je ervoor kiest. Ons aanvankelijk neen kan altijd worden omgezet in een ja. Zo worden allen, vroom of niet vroom, opgeroepen om zich telkens weer te bekeren, zich niet te laten verlammen door eigen opvattingen en principes, of gevoelens van onmacht en wanhoop. Via de woorden van de profeten Ezechiël, Johannes en Jezus lokt de levende God ons uit onze tent om in leven te blijven.
Abrir el PDF · p. 1 ↗De: hoja de homilía · 1 de octubre de 2023
Texto íntegro, reproducido con permiso de la parroquia. (PDF, 3 páginas)