HolytideKatholiek leven in Amsterdam

PreekNicolaaskathedraal

24e Zondag door het jaar

Automatische transcriptie van de uitzending. De tekst is niet nagelezen; alleen leestekens en hoofdletters zijn gecorrigeerd, zonder één letter te veranderen.

Illustratie: Three Parrots, Nicolas Robert (ca. 1675) · The Metropolitan Museum of Art, CC0 1.0 (Met Open Access)

Telkens als het evangelie van vandaag langskomt, moet ik denken aan een boek dat ik een aantal jaren geleden heb gelezen over Simon Wiesentaal. Zijn naam zegt u misschien nog wel iets. Hij was een joodse architect, die in 1945 bevrijd werd uit het concentratiekamp Mauthausen. Daar zijn hele familie heeft zien sterven en die sindsdien zijn verdere leven gewijd heeft aan het opsporen van nazi-misdadigers. Hij heeft in de oorlog echt afschuwelijke dingen meegemaakt. En toch is vooral één ding hem heel bijzonder zijn verdere leven blijven achtervolgen, namelijk zijn weigering om aan een stervende Duitse soldaat vergeving te schenken terwijl die er zo naar verlangde.

Die soldaat had in de oorlog een joodsechtpaar en hun kind vermoord, alleen maar omdat ze jood waren. Hij had er achteraf gruwelijk spijt van, want hij zag in dat hij medogeloos gehandeld had als onderdeel van een even medogeloos systeem. Wiesenthal was niet in staat geweest een woord van vergeving te spreken. En zonder iets te zeggen had hij de Duitse soldaat achtergelaten, alleen met zijn schuld. Jarenlang heeft het Wiesenthal bezig gehouden of zijn beslissing wel de juiste was geweest. En in de jaren zestig legde hij deze gebeurtenissen op schrift vast en stuurde zijn relaas aan een aantal vrienden met de vraag of hij die Duitse soldaat toch wel had moeten vergeven. Als je je probeert in te denken in de strijd van deze man, dan voel je je geplaatst voor een onhanteerbaar probleem.

Na zoveel ellende in dat concentratiekamp met je eigen dood voor ogen vergeving schenken aan een moordenaar. Ik weet niet of ik daartoe in staat zou zijn. Ik heb het niet meegemaakt wat hij heeft meegemaakt. Ik mag het dus niet over oordelen. Maar ik sta wel aan te kijken en aan te hikken tegen het antwoord van Jezus aan Petrus vandaag die hem vroeg. Heer, hoe vaak moet ik mijn broeder vergeven als hij mij iets misdoet? Tot zeven keer toe?

En zeven keer is al heel veel en gaat heel ver. En Petrus dacht dan ook dat hij heel royaal was met zijn zeven keer toe. Maar Jezus antwoordt hem: "Nee, niet tot zeven keer toe, zeg ik je, maar tot zeventig keer zeven." Dat wil zeggen: altijd. Je moet altijd vergeven. Er is geen grens aan het aantal en er hoeft niet geteld te worden. Pas wanneer je de tel kwijt bent en niet meer telt, ben je vergevingsgezind zoals God vergevingsgezind is.

En zoals Jezus zo vaak doet, voegt hij aan deze wet een parabel toe. Een vergelijking om zijn antwoord duidelijk te maken. En hij wil daarmee aantonen hoe ver vergevingsgezindheid eigenlijk moet gaan. Een hele boeiende parabel, niet in het minst omdat het in dit verhaal helemaal niet om de frequentie van het vergeven gaat, om het aantal keren dus, maar om de grootte van de schuld die je moet vergeven. En ook daaraan blijken geen grenzen te zijn, geen beperkingen. God zelf vergeeft de grootste denkbare schuldenlast. En dat is toch eigenlijk het ideaal en de norm voor een echt christelijk leven.

En dan lezen we dat een koning afrekening wilde houden met zijn dienaren. Er werd hem toen een dienaar voorgeleid die hem vele miljoenen schuldig was. Een astronomisch bedrag. De dienaar smeekte toen de koning om uitstel van betaling. Eigenlijk een idioot verzoek, want in geen honderd jaar zou hij zijn schuld kunnen aflossen. Hij kreeg dat uitstel niet, maar heel veel meer dan hij vroeg, want grootmoedig schoonk de koning hem zijn hele schuld kwijt. En daartegenover staat dan dat kleine bedrag dat een collega hem schuldig was, niet te vergelijken met die miljoenen.

En dat kleine bedrag wilde diezelfde dienaar niet aan zijn collega kwijtschelden; zelfs zijn smeek om uitstel van betaling vond geen gehoor. In deze parabel van de onverbiddelijke dienaar hebben we dus te doen met twee vergelijkbare situaties, waarin twee schuldenaren in haast dezelfde bewoordingen smeken om uitstel van betaling. Maar wat een tegenstelling tussen die twee. De ene wordt een hele grote schuld door de koning met een royaal gebaar vergeven, maar ten aanzien van een collega staat diezelfde schuldenaar op zijn recht: een schuld, hoe klein ook, moet worden ingelost. Doordat beide situaties in deze parabel met elkaar verbonden worden, wordt het voor de luisteraars toen en voor ons nu duidelijk dat wij ons moeten distancieren van het gedrag van die dienaar. Het is namelijk onevangelisch om altijd maar en onder alle omstandigheden in je recht te willen blijven staan als God zelf zo genadig is.

Dit recht verliest zijn gezag en kracht wanneer het niet langer de mens dient, maar juist kwetst en beschadigt. Anders geformuleerd: wanneer het niet langer bijdraagt tot het geluk en het welzijn van je medemens, maar dit juist vermindert en verzwakt en daarmee het rijk Gods blokkeert. In wezen hebben we de eerste lezing van vandaag hetzelfde gehoord. Vergeef je naastens een onrecht, dan worden, wanneer je erom bidt, jouw eigen zonde kwijtgescholen. Maar kan een mens die keihard is voor zijn medemens om vergeving bidden voor zijn eigen zonde? Ja, daarom ook bidden wij telkens opnieuw in het Onze Vader: vergeef ons onze schulden zoals ook wij vergeven aan onze schuldenaar. Vergeven aan die mens naast ons is de voorwaarde om van God zelf vergeving te kunnen krijgen.

Maar het kost tijd om naar vergeving toe te groeien. We hebben niet zomaar recht op vergeving, het wordt ons gegeven. En de wonden zijn soms zo diep en er is soms zoveel verwoest. Vergeving kan daarom nooit worden opgeëist. En daarmee zeg ik niet dat verzoening ten alle tijden mogelijk is. Een worsteling zoals die van Simon Wiesenthal is exemplarisch voor de ervaringen van velen in onze samenleving. Kijk naar alle oorlogen, vervolgingen, aanslagen, geweld.

Kijk naar onderdrukking en misbruik in de maatschappij, in de kerk, binnen gezinnen. We kunnen niet zomaar zeggen dat misdaden en schulden vergeven best wel op te brengen is. Sommigen kunnen het echt niet, zelfs niet na jaren. Laten wij daarom bidden dat God ons de kracht geeft anderen te vergeven zoals ook wij graag zelf vergeven willen worden. Zeventig maal, zeven maal. We zullen Gods vergeving immers ook nodig hebben als we het menselijke wijs niet aan anderen kunnen geven. Dat hij er wel toe in staat is, maakt ons nietig en klein, maar ook groot in het vertrouwen dat we ons in zijn goedheid altijd geborgen mogen weten.

Bekijk de video vanaf minuut 25:23 ↗

Preek uit de openbare uitzending van de parochie, overgenomen met haar toestemming.

Bron