HomilyNicolaaskathedraal
24th Sunday in Ordinary Time
Automatic translation, independently checked · 24e Zondag door het jaar
Automatic transcription of the livestream. The text has not been proofread; only punctuation and capitals were corrected, without changing a single letter.

Every time today's gospel comes around, I have to think of a book I read a number of years ago about Simon Wiesenthal. His name may perhaps still mean something to you. He was a Jewish architect who was liberated from the Mauthausen concentration camp in 1945. There he saw his whole family die, and from then on he devoted the rest of his life to tracking down Nazi criminals. He experienced truly appalling things during the war. And yet one thing in particular kept pursuing him for the rest of his life: his refusal to grant forgiveness to a dying German soldier while that soldier so longed for it.
That soldier had murdered a Jewish couple and their child during the war, solely because they were Jewish. Afterwards he felt terrible remorse, for he realized that he had acted mercilessly as part of an equally merciless system. Wiesenthal had not been able to speak a word of forgiveness. And without saying anything, he had left the German soldier behind, alone with his guilt. For years the question of whether his decision had been the right one kept Wiesenthal occupied. And in the sixties he wrote these events down and sent his account to a number of friends, asking them whether he ought to have forgiven that German soldier after all. If you try to imagine this man's struggle, you feel yourself confronted with an unmanageable problem.
After so much misery in that concentration camp, with your own death before your eyes, to grant forgiveness to a murderer. I do not know whether I would be capable of that. I did not experience what he experienced. So I may not judge. But I do stand in awe and hesitation before the answer of Jesus to Peter today, who asked him: Lord, how often must I forgive my brother when he wrongs me? Up to seven times?
And seven times is already very much and goes very far. And Peter therefore thought he was being very generous with his seven times. But Jesus answers him: "No, not seven times, I tell you, but seventy times seven." That means: always. You must always forgive. There is no limit to the number, and there is no need to count. Only when you have lost count and no longer count are you forgiving as God is forgiving.
And as Jesus so often does, he appends a parable to this law. A comparison to make his answer clear. And with it he wants to show how far forgiveness must actually go. A very fascinating parable, not least because in this story it is not at all about the frequency of forgiving, the number of times, but about the size of the debt you must forgive. And here too there prove to be no limits, no restrictions. God himself forgives the greatest imaginable burden of debt. And that is really the ideal and the norm for a truly Christian life.
And then we read that a king wanted to settle accounts with his servants. A servant was then brought before him who owed him many millions. An astronomical sum. The servant then begged the king for a postponement of payment. Actually a foolish request, for in a hundred years he could not pay off his debt. He did not get that postponement, but far more than he asked for, for generously the king cancelled his entire debt. And standing against that is the small sum that a colleague owed him, not to be compared with those millions.
And that small sum that same servant refused to remit to his colleague; even his plea for a postponement of payment went unheeded. In this parable of the unforgiving servant we thus have two comparable situations, in which two debtors beg in almost the same words for a postponement of payment. But what a contrast between the two. The one has an enormous debt forgiven by the king with a generous gesture, but with regard to a colleague that same debtor insists on his rights: a debt, however small, must be repaid. Because both situations are connected with each other in this parable, it becomes clear for the listeners then and for us now that we must distance ourselves from that servant's behaviour. For it is unevangelical always and under all circumstances to want to insist on your rights when God himself is so merciful.
This right loses its authority and power when it no longer serves people, but wounds and damages them instead. Put differently: when it no longer contributes to the happiness and well-being of your neighbour, but rather diminishes and weakens it, and thereby blocks the kingdom of God. In essence we heard the same in today's first reading. Forgive your neighbour a wrong, and when you pray, your own sin will be forgiven. But can a person who is hard as nails toward his neighbour pray for forgiveness for his own sin? Yes, that is why we pray again and again in the Our Father: forgive us our debts as we also forgive our debtors. Forgiving that person next to us is the condition for being able to receive forgiveness from God himself.
But it takes time to grow toward forgiveness. We do not simply have a right to forgiveness; it is given to us. And the wounds are sometimes so deep, and there is sometimes so much destruction. Forgiveness can therefore never be demanded. And by that I am not saying that reconciliation is possible at all times. A struggle like that of Simon Wiesenthal is exemplary of the experiences of many in our society. Look at all the wars, persecutions, attacks, violence.
Look at oppression and abuse in society, in the church, within families. We cannot simply say that forgiving crimes and debts is quite manageable. Some people truly cannot do it, even after years. Let us therefore pray that God gives us the strength to forgive others as we too would gladly be forgiven ourselves. Seventy times, seven times. For we will also need God's forgiveness if we cannot give what is humanly wise to others. That he is indeed capable of it makes us small and lowly, but also great in the confidence that we may always know ourselves safe in his goodness.
Original text · Dutch
24e Zondag door het jaar
Telkens als het evangelie van vandaag langskomt, moet ik denken aan een boek dat ik een aantal jaren geleden heb gelezen over Simon Wiesentaal. Zijn naam zegt u misschien nog wel iets. Hij was een joodse architect, die in 1945 bevrijd werd uit het concentratiekamp Mauthausen. Daar zijn hele familie heeft zien sterven en die sindsdien zijn verdere leven gewijd heeft aan het opsporen van nazi-misdadigers. Hij heeft in de oorlog echt afschuwelijke dingen meegemaakt. En toch is vooral één ding hem heel bijzonder zijn verdere leven blijven achtervolgen, namelijk zijn weigering om aan een stervende Duitse soldaat vergeving te schenken terwijl die er zo naar verlangde.
Die soldaat had in de oorlog een joodsechtpaar en hun kind vermoord, alleen maar omdat ze jood waren. Hij had er achteraf gruwelijk spijt van, want hij zag in dat hij medogeloos gehandeld had als onderdeel van een even medogeloos systeem. Wiesenthal was niet in staat geweest een woord van vergeving te spreken. En zonder iets te zeggen had hij de Duitse soldaat achtergelaten, alleen met zijn schuld. Jarenlang heeft het Wiesenthal bezig gehouden of zijn beslissing wel de juiste was geweest. En in de jaren zestig legde hij deze gebeurtenissen op schrift vast en stuurde zijn relaas aan een aantal vrienden met de vraag of hij die Duitse soldaat toch wel had moeten vergeven. Als je je probeert in te denken in de strijd van deze man, dan voel je je geplaatst voor een onhanteerbaar probleem.
Na zoveel ellende in dat concentratiekamp met je eigen dood voor ogen vergeving schenken aan een moordenaar. Ik weet niet of ik daartoe in staat zou zijn. Ik heb het niet meegemaakt wat hij heeft meegemaakt. Ik mag het dus niet over oordelen. Maar ik sta wel aan te kijken en aan te hikken tegen het antwoord van Jezus aan Petrus vandaag die hem vroeg. Heer, hoe vaak moet ik mijn broeder vergeven als hij mij iets misdoet? Tot zeven keer toe?
En zeven keer is al heel veel en gaat heel ver. En Petrus dacht dan ook dat hij heel royaal was met zijn zeven keer toe. Maar Jezus antwoordt hem: "Nee, niet tot zeven keer toe, zeg ik je, maar tot zeventig keer zeven." Dat wil zeggen: altijd. Je moet altijd vergeven. Er is geen grens aan het aantal en er hoeft niet geteld te worden. Pas wanneer je de tel kwijt bent en niet meer telt, ben je vergevingsgezind zoals God vergevingsgezind is.
En zoals Jezus zo vaak doet, voegt hij aan deze wet een parabel toe. Een vergelijking om zijn antwoord duidelijk te maken. En hij wil daarmee aantonen hoe ver vergevingsgezindheid eigenlijk moet gaan. Een hele boeiende parabel, niet in het minst omdat het in dit verhaal helemaal niet om de frequentie van het vergeven gaat, om het aantal keren dus, maar om de grootte van de schuld die je moet vergeven. En ook daaraan blijken geen grenzen te zijn, geen beperkingen. God zelf vergeeft de grootste denkbare schuldenlast. En dat is toch eigenlijk het ideaal en de norm voor een echt christelijk leven.
En dan lezen we dat een koning afrekening wilde houden met zijn dienaren. Er werd hem toen een dienaar voorgeleid die hem vele miljoenen schuldig was. Een astronomisch bedrag. De dienaar smeekte toen de koning om uitstel van betaling. Eigenlijk een idioot verzoek, want in geen honderd jaar zou hij zijn schuld kunnen aflossen. Hij kreeg dat uitstel niet, maar heel veel meer dan hij vroeg, want grootmoedig schoonk de koning hem zijn hele schuld kwijt. En daartegenover staat dan dat kleine bedrag dat een collega hem schuldig was, niet te vergelijken met die miljoenen.
En dat kleine bedrag wilde diezelfde dienaar niet aan zijn collega kwijtschelden; zelfs zijn smeek om uitstel van betaling vond geen gehoor. In deze parabel van de onverbiddelijke dienaar hebben we dus te doen met twee vergelijkbare situaties, waarin twee schuldenaren in haast dezelfde bewoordingen smeken om uitstel van betaling. Maar wat een tegenstelling tussen die twee. De ene wordt een hele grote schuld door de koning met een royaal gebaar vergeven, maar ten aanzien van een collega staat diezelfde schuldenaar op zijn recht: een schuld, hoe klein ook, moet worden ingelost. Doordat beide situaties in deze parabel met elkaar verbonden worden, wordt het voor de luisteraars toen en voor ons nu duidelijk dat wij ons moeten distancieren van het gedrag van die dienaar. Het is namelijk onevangelisch om altijd maar en onder alle omstandigheden in je recht te willen blijven staan als God zelf zo genadig is.
Dit recht verliest zijn gezag en kracht wanneer het niet langer de mens dient, maar juist kwetst en beschadigt. Anders geformuleerd: wanneer het niet langer bijdraagt tot het geluk en het welzijn van je medemens, maar dit juist vermindert en verzwakt en daarmee het rijk Gods blokkeert. In wezen hebben we de eerste lezing van vandaag hetzelfde gehoord. Vergeef je naastens een onrecht, dan worden, wanneer je erom bidt, jouw eigen zonde kwijtgescholen. Maar kan een mens die keihard is voor zijn medemens om vergeving bidden voor zijn eigen zonde? Ja, daarom ook bidden wij telkens opnieuw in het Onze Vader: vergeef ons onze schulden zoals ook wij vergeven aan onze schuldenaar. Vergeven aan die mens naast ons is de voorwaarde om van God zelf vergeving te kunnen krijgen.
Maar het kost tijd om naar vergeving toe te groeien. We hebben niet zomaar recht op vergeving, het wordt ons gegeven. En de wonden zijn soms zo diep en er is soms zoveel verwoest. Vergeving kan daarom nooit worden opgeëist. En daarmee zeg ik niet dat verzoening ten alle tijden mogelijk is. Een worsteling zoals die van Simon Wiesenthal is exemplarisch voor de ervaringen van velen in onze samenleving. Kijk naar alle oorlogen, vervolgingen, aanslagen, geweld.
Kijk naar onderdrukking en misbruik in de maatschappij, in de kerk, binnen gezinnen. We kunnen niet zomaar zeggen dat misdaden en schulden vergeven best wel op te brengen is. Sommigen kunnen het echt niet, zelfs niet na jaren. Laten wij daarom bidden dat God ons de kracht geeft anderen te vergeven zoals ook wij graag zelf vergeven willen worden. Zeventig maal, zeven maal. We zullen Gods vergeving immers ook nodig hebben als we het menselijke wijs niet aan anderen kunnen geven. Dat hij er wel toe in staat is, maakt ons nietig en klein, maar ook groot in het vertrouwen dat we ons in zijn goedheid altijd geborgen mogen weten.
Watch the video from minute 25:23 ↗
Homily from the parish’s public livestream, reproduced with its permission.