PreekKrijtberg
30ste Zondag door het jaar
Datum volgens de bestandsnaam van de kerk.

Een wandmozaïek uit de zesde eeuw in een kerk in Ravenna kan als illustratie dienen van het evangelie van vandaag. Voor een gebouwtje met zuilen – de tempel – staan twee mannen. De man rechts heeft de handen opgeheven, zoals wij dat doen tijdens het Onze Vader. Het is het vroegchristelijke gebedsgebaar. De man is frontaal afgebeeld. Hij staat fier rechtop en kijkt naar voren met zijn grote, donkere, amandelvormige ogen. Dezelfde houding treffen we ook aan in catacombenschilderingen en op sarcofaagreliëfs: bij de overledene, maar ook bij Noach in de ark, Daniël in de leeuwenkuil, de drie jongelingen in de vuuroven. Het is de typische houding van de vrome, de gelovige, de met God verbonden mens. Op het genoemde mozaïek is het de farizeeër uit het evangelie van vandaag. Inderdaad een brave mens, die allerlei verkeerde dingen niet deed, en meer vastte en meer afdroeg van zijn inkomsten dan nodig was, en daarom door ieder werd gerespecteerd.
De man links op het mozaïek staat er niet zo fier bij als zijn buurman. Hij heeft het hoofd gebogen, de hand voor de borst, en we zien hem een beetje van opzij. Het is de tollenaar uit het evangelie. Het is terecht dat hij zich bescheidener opstelt, want mensen als hij werden door iedereen verfoeid als collaborateurs en afpersers.
Het evangelie verrast ons omdat het de rollen omdraait. De tollenaar ging naar huis als iemand die rechtvaardig is in de ogen van God, maar de ander niet. Hoezo? Horen we hoe beiden bidden. Het gebed van de farizeeër is een ikgebed: ik doe geen slechte dingen, ik vast, ik draag een tiende van al mijn inkomsten af. Nu wil iedereen door anderen bevestigd worden, maar de farizeeër bevestigt zichzelf door zijn goede daden op te sommen. En wat erger is: hij bevestigt zichzelf door de ander naar beneden te duwen: ik ben niet als de andere mensen en zeker niet als die tollenaar. Hier wordt een onderscheid gemaakt tussen ‘ons soort mensen’ en ‘de rest’, ‘de anderen’. De farizeeër richt zich wel tot God, maar je kunt je afvragen of hij wel van God houdt. Als je echt met God verbonden bent, kijk je niet neer op je medemens, die evenals jij uit Gods scheppende hand is voortgekomen. De farizeeër sluit zich op in zichzelf: hij zondert zich af van ‘de anderen’, maar daardoor zondert hij zich ook af van God. Zijn gebed is eigenlijk geen gebed, geen spreken met God. Er staat dan ook in het evangelie dat hij ‘bij zichzelf bad’. Hij vindt dat hij Gods erbarmen niet nodig heeft. Omdat hij de wet zo stipt vervulde, zelfs meer deed dan was voorgeschreven, meende hij recht te hebben op de hemel. Voor wat hoort wat. God stond bij hem in het krijt.
Nu de tollenaar. Zijn plaats achter in de tempel, zijn gebogen hoofd, het gebaar van de hand tegen de borst, als onderstreping van zijn mea culpa, contrasteren met de houding van de farizeeër. Ook de woorden die hij spreekt zijn van een totaal andere orde: God, wees mij zondaar genadig. Hij verwacht geen beloning, maar hoopt op vergeving.
De conclusie van het verhaal is dat de tollenaar gerechtvaardigd naar huis ging, de ander niet. De tollenaar bekende schuld, opende zich voor de vergevende God en werd daarom door God gerechtvaardigd. De farizeeër rechtvaardigde zichzelf en werd daarom niet gerechtvaardigd door God.
Jezus vertelde deze gelijkenis met het oog op sommigen die zichzelf rechtvaardig vinden en anderen minachten. Hierbij kan gedacht worden aan de farizeeën. Maar niet alle farizeeën zijn over één kam te scheren. Zo was Nikodemus een farizeeër die Jezus welgezind was (Joh. 3:1). Bovendien schuilt in iedere volgeling van Jezus - ook in ons - iets van de farizeeër. Het denken van de farizeeër in de termen ‘ik’ of ‘wij’, en ‘de anderen’ komt in alle kringen voor. Het is makkelijker de schuld bij de ander te leggen dan bij jezelf.
Nu we meer weten wat erfelijke aanleg, opvoeding en sociale omgeving met ons doen, beseffen wij beter dat het woord schuld met omzichtigheid moet worden gebruikt. Maar dergelijke inzichten vormen geen alibi voor een besef van eigen tekortschieten, hetzij door onmacht, hetzij door onwil (dat weten we zelf niet altijd). Ons past de houding van de tollenaar: God, wees mij zondaar genadig. Of om het met de woorden van het Onze Vader te zeggen: vergeef ons onze schulden.
Deze bede heeft ook een sociale dimensie: vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven aan onze schuldenaren. De eigenwaan van de farizeeër sloot hem op in zichzelf, afgescheiden van God en ‘de anderen’. De deemoed van de tollenaar brengt verbindingen tot stand: met de vergevende God die ons steeds weer nieuwe kansen geeft en met andere mensen, aan wie wij op onze beurt vergeven en nieuwe kansen gunnen.
Open de PDF · p. 1 ↗Uit: preektekst · 26 oktober 2025
Volledige tekst, overgenomen met toestemming van de parochie. (PDF, 3 pagina’s)
Bronnen
Engels: PDF ↗