CrónicaBegijnhofkapel
Simposio sobre los poetas del Milagro de Ámsterdam
Traducción automática, verificada de forma independiente · Symposium mirakeldichters Amsterdam

El sábado 28 de febrero pasado tuvo lugar en nuestra capilla del Begijnhof un simposio sobre los poetas del Milagro de Ámsterdam.
Dick Hogenhout nos llevó primero a la Edad Media, concretamente al 'recitador de versos' Willem van Hildegaersberch, que sabía ganarse dignamente la vida componiendo y recitando relatos en verso. Solía hacerlo con motivo de algún acontecimiento especial, como la boda del Conde de Holanda, por la que recibió nada menos que cuatro florines, lo que en aquella época equivalía a un salario mensual medio. A modo de ilustración se podía ver una hermosa lámina escolar antigua de esta boda en la Sala de los Caballeros (Ridderzaal). De su obra se han conservado 120 poemas, de los cuales 60 tratan de asuntos religiosos y 60 de asuntos sociales. De su mano es también el primer poema conocido sobre el Milagro de Ámsterdam (1345), 'Van den Sacramente van Aemsterdam', que data de 1390.
Luego dimos un salto en el tiempo y llegamos a Leonardus Marius, que en 1631 se convirtió en párroco del Begijnhof. El párroco Marius se esforzó por continuar en el Begijnhof la veneración del Milagro, a pesar de la prohibición tras la Alteración de 1578. De su mano es el folleto 'Amstelredams eer ende opcomen door de denckwaerdighe miraklen aldaer geschied aen ende door het H. Sacrament des Altaers Anno 1345'. Su contemporáneo, el menonita Joost van den Vondel, lo visitaba a menudo y, probablemente también bajo su influencia, se convirtió hacia 1641 a la fe católica. Con motivo del 300.º aniversario del Milagro, Vondel escribió en 1645 'Eeuwgety der Heilige Stede t'Amsterdam', basándose en el folleto de Marius. Lo bonito es que las efigies de Marius y Vondel todavía adornan la fachada de la casa parroquial en el Nieuwezijds Voorburgwal.
Tras una breve pausa tomó la palabra Anton de Wit, redactor jefe del Katholiek Nieuwsblad. Con un estilo muy propio, habló con fervor de Anton van Duinkerken (seudónimo de Willem Asselbergs), que en 1946 escribió un poema con motivo del 600.º aniversario del Milagro, celebrado un año más tarde a causa de la guerra. El poema se titula 'Een vierenswaardig wonder' ('Un milagro digno de veneración'), expresión tomada a su vez del poema de Vondel. En la biografía de Anton van Duinkerken, Michel van der Plas lo califica de 'una mediocre pieza de poesía de circunstancias', quizá por su trato libre del esquema de rima del soneto (por cierto, a imitación de Vondel), pero Anton de Wit logró convencernos de lo contrario. El poema, compuesto por 25 sonetos, comienza con hermosas descripciones de la naturaleza, seguidas de imágenes del Antiguo y del Nuevo Testamento,
y solo en el soneto 16 aparece el Milagro. En YouTube puede encontrarse un fragmento de audio en el que Anton de Wit recita este poema de manera espléndida. Finalmente, defendió con entusiasmo la revalorización de las artes por parte de la Iglesia. Antiguamente la Iglesia, como mecenas, encargaba obras a los artistas, y eso debería volver a ocurrir, para insuflar nueva vida a la Iglesia. Así hizo un llamamiento, por ejemplo, a crear un nuevo poema del Milagro para el próximo aniversario.
Dick Hogenhout habló a continuación sobre la retraducción, o, como él mismo prefería llamarla, la transcripción que ha realizado del folleto de Marius 'Amsterdams Eer ende Opcomen', que estará disponible próximamente. También subrayó la influencia que tuvo el párroco Marius. Tras su muerte, aun siendo católico, se le permitió ser enterrado en la Iglesia Vieja (Oude Kerk), que para entonces estaba en manos protestantes. Miles de personas, según se dice, salieron para ver su cortejo fúnebre.
El simposio se clausuró con esmero con la Adoración silenciosa y las Vísperas. Y después nos esperaban bocadillos y bebidas en la Iglesia Inglesa (Engelse Kerk), así como una magnífica tarta del Milagro elaborada por la firma Holtkamp, ofrecida por un donante anónimo. El propio señor Holtkamp había venido a cortar la tarta.
Texto original · Neerlandés
Symposium mirakeldichters Amsterdam
Op zaterdag 28 februari jl. vond er een symposium plaats in onze Begijnhofkapel over de Mirakeldichters van Amsterdam.
Dick Hogenhout nam ons allereerst mee naar de Middeleeuwen, en wel naar ‘sprookspreker’ Willem van Hildegaersberch, die een aardige boterham wist te verdienen met het maken en voordragen van berijmde verhalen. Dat deed hij veelal naar aanleiding van een bijzondere gebeurtenis, zoals het huwelijk van de Graaf van Holland, waarvoor hij maar liefst vier gulden ontving, wat destijds gelijkstond aan een gemiddeld maandsalaris. Ter illustratie was er een mooie oude schoolplaat van dit huwelijk in de Ridderzaal te zien. Van zijn werk zijn 120 gedichten bewaard gebleven, waarvan 60 over religieuze en 60 over maatschappelijke zaken. Van zijn hand is ook het eerste gedicht dat bekend is over het Mirakel van Amsterdam (1345), ‘Van den Sacramente van Aemsterdam’, dat dateert uit 1390.
Daarna namen we een sprong in de tijd en kwamen we bij Leonardus Marius, die in 1631 pastoor werd van het Begijnhof. Pastoor Marius heeft zich ervoor ingezet om de Mirakelverering, ondanks het verbod na de Alteratie in 1578, op het Begijnhof voort te zetten. Van zijn hand is het boekje ‘Amstelredams eer ende opcomen door de denckwaerdighe miraklen aldaer geschied aen ende door het H. Sacrament des Altaers Anno 1345’. Zijn tijdgenoot, de doopsgezinde Joost van den Vondel, kwam vaak bij hem op bezoek en bekeerde zich, waarschijnlijk mede onder zijn invloed, omstreeks 1641 zelfs tot het katholieke geloof. Ter gelegenheid van het 300-jarig jubileum van het Mirakel schreef Vondel in 1645 ‘Eeuwgety der Heilige Stede t’Amsterdam’, waarbij hij zich gebaseerd had op het boekje van Marius. Het aardige is dat de beeltenissen van Marius en Vondel nog steeds prijken op de gevel van de pastorie aan de Nieuwezijds Voorburgwal.
Na een korte pauze nam Anton de Wit het woord, hoofdredacteur van het Katholiek Nieuwsblad. In een geheel eigen stijl vertelde hij vol vuur over Anton van Duinkerken (pseudoniem van Willem Asselbergs), die in 1946 een gedicht schreef naar aanleiding van het 600-jarig jubileum van het Mirakel, dat vanwege de oorlog een jaar later werd gevierd. Het gedicht heet ‘Een vierenswaardig wonder’, een zinsnede die weer ontleend is aan het gedicht van Vondel. In de biografie van Anton van Duinkerken heeft Michel van der Plas het over ‘een matig stukje gelegenheidspoëzie’, wellicht vanwege diens vrije omgang met het sonnetrijmschema (overigens in navolging van Vondel), maar Anton de Wit wist ons te overtuigen van het tegendeel. Het gedicht bestaande uit 25 sonnetten begint met prachtige natuurbeschrijvingen, gevolgd door Oudtestamentische en Nieuwtestamentische beelden,
en pas in sonnet 16 komt het Mirakel aan de orde. Op YouTube is een geluidsfragment te vinden waar Anton de Wit dit gedicht prachtig voordraagt. Ten slotte brak hij een lans voor de herwaardering van de kunsten door de kerk. Vroeger gaf de kerk als mecenas opdrachten aan kunstenaars en dat zou weer moeten gebeuren, om de kerk nieuw leven in te blazen. Zo deed hij een oproep om bijvoorbeeld een nieuw Mirakelgedicht te maken voor het volgende jubileum.
Dick Hogenhout vertelde vervolgens over de hertaling of, zoals hij dat zelf liever noemde, transcriptie die hij heeft gemaakt van het boekje van Marius ‘Amsterdams Eer ende Opcomen’, dat binnenkort verkrijgbaar is. Hij benadrukte ook de invloed die pastoor Marius heeft gehad. Na zijn dood mocht hij als katholiek toch begraven worden in de Oude Kerk, die inmiddels in protestantse handen was. Duizenden mensen zouden zijn uitgelopen om zijn uitvaartstoet te zien.
Het symposium werd in stijl afgesloten met Stille Aanbidding en Vespers. En na afloop stonden er broodjes en drankjes voor ons klaar in de Engelse Kerk, evenals een prachtige Mirakeltaart gemaakt door de firma Holtkamp, aangeboden door een anonieme gever. Meneer Holtkamp zelf was meegekomen om de taart aan te snijden.
Abrir el PDF · p. 1 ↗De: boletín
Texto íntegro, reproducido con permiso de la parroquia. (PDF, 5 páginas)