HomilíaKrijtberg
28.º Domingo, año C.
Traducción automática, verificada de forma independiente · 28ste zondag, jr. C.
Fecha según el nombre del archivo de la iglesia.

Hermanos y hermanas, en las lecturas de hoy se trata del modo de afrontar la enfermedad y también de la muerte. En la primera lectura oímos que el sirio Naamán es curado milagrosamente de su lepra al sumergirse siete veces en el río Jordán, por consejo del profeta Eliseo. Al principio, el oficial del ejército Naamán se enfada al oír este consejo y dice: '¿acaso no puedo lavarme igualmente en los ríos de Damasco, en Siria, para quedar limpio?' Pero no, al parecer debe aprender a confiar en las palabras de aquel profeta judío Eliseo, que proclama la fe en el único Dios. Naamán sigue su consejo y queda curado. Así llega a la fe y pregunta a Eliseo, que no quiere recompensa alguna, si puede llevarse a casa una carga de tierra de Israel. Lo pide para poder honrar en su casa al Dios de Israel, sobre la tierra que él consideraba santa.
En el Evangelio vuelve a sanarse de la lepra un extranjero; esta vez se trata de un samaritano. Él es el único de los diez que son curados que regresa a Jesús lleno de gratitud. Al parecer, no a todos les resulta fácil ser agradecidos. La esencia de la gratitud a Dios queda expresada en el salmo 98, con el que hemos orado: 'El Señor nos ha hecho conocer su salvación. Aclamad al Señor, todas las tierras.' Sería bueno que nos detuviéramos más a menudo en ello, en todos los beneficios que Dios nos da. Muchas personas se quejan de lo que está mal en los demás y olvidan mirar el bien que ellas mismas han recibido de Dios. Son cosas que se nos han dado gratuitamente, como la salud, el amor, un buen entendimiento o un buen carácter. Son motivos para querer dar a Dios algo de vuelta de nuestra abundancia.
Queridos hermanos, cuando uno es curado, eso es por supuesto motivo de gratitud. Pero todos sabemos, claro está, que la curación no siempre es posible. En cuanto a la lepra: todavía se da en nuestros días en los trópicos. Médicos y enfermeras están ocupados en suministrar medicamentos a los pacientes de lepra en zonas a menudo remotas. En los tiempos de Eliseo y Jesús las curaciones eran consideradas un milagro; en nuestro tiempo es más bien cuestión de la generosidad de personas como nosotros, gracias a la cual la ayuda adecuada puede llegar al lugar adecuado.
Cuando el samaritano curado vuelve a Jesús para darle las gracias, Jesús dice: 'Tu fe te ha salvado.' A Jesús le interesa, en última instancia, la salvación del alma del samaritano.
Ahora bien, en nuestra ajetreada existencia a veces olvidamos que nuestra alma es inmortal. Vamos de una cosa a otra, estamos continuamente ocupados, pero no pensamos tan fácilmente entonces en el bienestar de nuestra alma inmortal. Nuestra alma es nuestra vida, que es una preparación para la vida eterna. Por medio de nuestro querido Señor somos llamados a ser perfectos en nuestra vida, como nuestro Padre celestial es perfecto. Sin embargo, también sabemos que a veces fallamos en ello.
La Iglesia nos enseña que cuando pecamos en esta vida, algunos pecados pueden ser perdonados ya en esta vida, otros pecados, en cambio, en el mundo venidero. Esta última purificación de las almas que son elegidas para la salvación eterna se llama también purgatorio. Ahora bien, 'purgatorio' es otro de esos conceptos que en nuestro tiempo ha caído bastante en el olvido, igual que el concepto 'alma'. Sin embargo, la Sagrada Escritura ya habla de lo provechoso que es orar por el descanso de las almas de los difuntos, concretamente en el segundo libro de los Macabeos. Allí dice en el capítulo 12: 'Por eso mandó (esto es, Judas Macabeo) ofrecer un sacrificio de expiación por los difuntos, (para la reconciliación) a fin de que fueran absueltos de su pecado.' Si no existiera algo como una última y temporal purificación después de la muerte, un sacrificio como el de Judas Macabeo no tendría sentido.
Queridos hermanos, la Buena Noticia de Jesús es una de vida eterna, como continuación de esta vida. Así lo expresa también Pablo en su carta a Timoteo, de la que oímos en la segunda lectura: 'Si hemos muerto con Él, también viviremos con Él.' Jesús mismo pasó por el sufrimiento y la muerte, antes de volver en la gloria a su Padre. Se apareció a los discípulos. Cuando en esta vida nos sobrevienen dificultades, Jesús permanece fiel a nosotros, pase lo que pase. Dirijámonos, por tanto, en todo momento a Él, por la salvación de nuestras almas y de las de nuestros prójimos, por nuestra eterna felicidad.
Amén.
Texto original · Neerlandés
28ste zondag, jr. C.
Broeders en zusters, in de lezingen van vandaag gaat het over omgaan met ziekte en ook over sterven. In de eerste lezing hoorden we dat de Syriër Naäman op wonderbaarlijke wijze genezen wordt van zijn melaatsheid, ook wel bekend als lepra, door zich zevenmaal onder te dompelen in de rivier de Jordaan, op advies van de profeet Elisa. Eerst is de legerofficier Naäman kwaad als hij dit advies hoort en zegt hij: ‘ik kan me toch net zo goed wassen in de rivieren van Damascus in Syrië, om gereinigd te worden?’ Maar nee, blijkbaar moet hij leren vertrouwen op de woorden van die Joodse profeet Elisa, die het geloof in de éne God verkondigt. Naäman volgt zijn raad op en wordt genezen. Hij komt zo tot geloof en vraagt aan Elisa, die geen beloning wil, of hij een vracht Israëlische aarde mee mag nemen naar huis. Hij vraagt dit opdat hij thuis de God van Israël kan eren, op de grond die hij als heilig beschouwde.
In het Evangelie wordt opnieuw een vreemdeling genezen van melaatsheid, deze keer is het een Samaritaan. Hij is de enige van de tien die genezen worden die vol dankbaarheid terugkeert bij Jezus. Blijkbaar is het niet voor iedereen gemakkelijk om dankbaar te zijn. De kern van dankbaarheid aan God wordt verwoord in psalm 98, waarmee we hebben gebeden: ‘Zijn weldaden deed God ons kennen. Verheerlijkt de Heer, alle landen.’ Het zou goed zijn als we daar eens wat vaker bij stil zouden staan, bij alle weldaden die God ons geeft. Veel mensen klagen over wat er niet goed is aan anderen en ze vergeten te kijken naar het goede dat ze zelf van God gekregen hebben. Dat zijn zaken die ons om niet zijn gegeven, zoals gezondheid, liefde, een goed verstand of een goed humeur. Het zijn redenen om aan God iets terug te willen geven van onze overvloed.
Beste mensen, als je genezen wordt, is dat natuurlijk reden tot dankbaarheid. Maar we weten natuurlijk allemaal dat genezing niet altijd mogelijk is. Als het gaat om melaatsheid, ook wel bekend als lepra: dat komt in onze tijd nog steeds voor in de tropen. Artsen en verpleegkundigen zijn druk bezig om medicijnen te verstrekken aan leprapatiënten in vaak verafgelegen gebieden. In de tijden van Elisa en Jezus werden de genezingen beschouwd als een wonder; in onze tijd is het veeleer een kwestie van gulheid van mensen zoals wijzelf, waardoor de juiste hulp op de juiste plaats kan komen.
Als de genezen Samaritaan terugkomt bij Jezus om Hem te bedanken, dan zegt Jezus: ‘Uw geloof heeft u gered.’ Het gaat Jezus uiteindelijk om de redding van de ziel van de Samaritaan.
Nu vergeten we in ons jachtige bestaan wel eens dat onze ziel onsterfelijk is. We gaan van het een naar het ander, we zijn voortdurend in de weer, maar we denken daarbij niet zo gauw aan het welzijn van onze onsterfelijke ziel. Onze ziel, dat is ons leven, dat een voorbereiding is op het eeuwig leven. Door onze lieve Heer worden we opgeroepen om in ons leven volmaakt te zijn zoals onze hemelse Vader volmaakt is. We weten echter ook, dat we soms hierin tekortschieten.
De Kerk leert ons dat wanneer wij in dit leven zondigen, dat sommige zonden al in dit leven vergeven kunnen worden, andere zonden daarentegen in de komende wereld. Deze laatste loutering van de zielen die zijn uitverkoren voor het eeuwig heil, wordt ook wel het vagevuur genoemd. Nu is ‘vagevuur’ nog zo’n begrip dat in onze tijd nogal in de vergetelheid is geraakt, net zoals het begrip ‘ziel’. Toch spreekt de heilige Schrift al over de zinvolheid van het bidden voor de zielenrust van de overledenen, namelijk in het tweede boek Makkabeeën. Daar staat in het 12de hoofdstuk: ‘Daarom liet hij (dat is Judas de Makkabeeër) voor de overledenen een zoenoffer opdragen, (ter verzoening) opdat zij van hun zonde zouden worden vrijgesproken.’ Wanneer er niet zoiets zou bestaan als een laatste, tijdelijke loutering na de dood, dan zou zo’n offer als dat van Judas de Makkabeeër geen zin hebben.
Beste mensen, Jezus’ blijde Boodschap is er een van eeuwig leven, als voortzetting van dit leven. Zo verwoordt ook Paulus het in zijn brief aan Timotheüs, waaruit we hoorden in de tweede lezing: ‘Als wij met Hem gestorven zijn, zullen wij met Hem leven.’ Jezus is zelf door lijden en dood gegaan, voordat Hij terugkeerde in de heerlijkheid bij zijn Vader. Hij is aan de leerlingen verschenen. Wanneer ons in dit leven moeilijkheden overkomen, dan blijft Jezus ons trouw, wat er ook gebeurt. Laten wij ons daarom te allen tijde richten op Hem, omwille van het zielenheil van onszelf en van onze naasten, omwille van ons eeuwig geluk.
Amen.
Abrir el PDF · p. 1 ↗De: hoja de homilía · 12 de octubre de 2025
Texto íntegro, reproducido con permiso de la parroquia. (PDF, 2 páginas)