HolytideCatholic life in Amsterdam

HomilyKrijtbergZesentwintigste zondag door het jaar

Conversion and life

Automatic translation, independently checked · Bekering en leven

Date as given in the church’s file name.

Illustration: Frieze with Nine Birds Perched on a Vine, Franz Isaac Brun (ca. 1555–1610) · The Metropolitan Museum of Art, CC0 1.0 (Met Open Access)

There was a time when everything seemed to be going in the right direction. But it appears that this faith in progress has since given way to doom-mongering. All kinds of facts seem to prove the doom-mongers right: natural disasters and wars far away and nearby. It is as if we are determined to decline and downfall.

Such thinking is of all times. Ezekiel already had to deal with it, but he sets himself against it. In a time when people thought that children had to pay for the mistakes of their parents, Ezekiel speaks a word against it: Why do you in Israel use the proverb: If the parents eat unripe grapes, the children get blunt teeth?... never again may anyone in Israel take this proverb into his mouth! (Ezek. 18:2-3). Children are not doomed because their parents were bad. In the first reading Ezekiel goes further by stating that you are not determined either by your own wrong deeds in the past. He says: A wicked person who turns away from his godless way of life and from now on acts according to right and justice, shall live (18:27). But the reverse also holds: A good person who no longer acts righteously but commits injustice, shall die… (18:26).

Ezekiel thus teaches us that you are not determined by what others did before you, but neither by your own decisions in the past, by your former deeds. Your future is not determined by what you were in the past, but by what you are now. This has two sides. On the one hand, it means that the good within you, your virtue, is contested. You can lose it. It is not an inalienable possession; you must make it your own again and again. But on the other hand it also means that, when you have not done well, you receive new chances time and again. Evil, too, is not an inalienable possession. You can lay it aside.

Finally, Ezekiel encourages his listeners by pointing to the fact that God wills life: Do you think that I take pleasure in the death of a wicked person? – says God, the LORD. No, I want him to come to his senses and live (18:23). Ezekiel therefore ends his prophecy with a call: Come to your senses and live! (18:32). Our future lies in our own hands. Whether this future is life depends on ourselves. As for God: He wants us to live.

So far the message of the prophet. Now the gospel. What Matthew has to say does not differ much from the call of Ezekiel. Jesus tells a short parable about a father who asked his sons to go and work in his vineyard. One said yes, but did not go. The other said no, reconsidered, and went after all.

The one who said yes is the religious establishment, the chief priests and the elders. They are convinced that they know and keep the rules. Therefore they do not see that they make mistakes. They do not allow themselves to be corrected by John the Baptist and Jesus. The other who said no and yet did it, are the tax collectors and the prostitutes, the sinners and the pagans. They allowed themselves to be admonished by John and by Jesus. Therefore they enter the kingdom of God.

So in Matthew too it appears that, just as in Ezekiel, a pious past is no guarantee, and virtue is not an inalienable possession. The chief priests and the elders said yes, but did not do the will of the father. On the other hand: you are not determined by a less pious past. The tax collectors and the prostitutes first said no and went anyway. You receive new chances again and again. The Kingdom of God remains open to whoever wills it.

The words of Ezekiel and of Jesus rouse us not to let ourselves be paralysed by the past. Those who believe themselves wise and pious are urged to open themselves to criticism. And those who do not consider themselves wise or virtuous, but feel anxious and threatened, insecure and powerless, disappointed and embittered, are called not to let themselves be determined by such feelings. These feelings suffocate and paralyse and make one blind to the new chances that are offered. The Kingdom of God, the kingdom of peace and justice, God's new world, can only come when you believe in its possibility. This kingdom only becomes reality, each time you choose it. Our initial no can always be turned into a yes. In this way all, pious or not pious, are called to convert themselves again and again, not to let themselves be paralysed by their own opinions and principles, or by feelings of powerlessness and despair. Through the words of the prophets Ezekiel, John and Jesus, the living God entices us out of our tents so that we may live.

Original text · Dutch

Bekering en leven

Er is een tijd geweest waarin alles de goede kant leek op te gaan. Maar het lijkt erop dat dit vooruitgangsgeloof intussen plaats heeft gemaakt voor een doemdenken. Allerlei feiten lijken de doemdenkers gelijk te geven: natuurrampen en oorlogen veraf en dichtbij. Het is alsof we zijn gedetermineerd tot achteruitgang en ondergang.

Een dergelijk denken is van alle tijden. Ezechiël had er al mee te maken, maar hij verzet zich hiertegen. In een tijd waarin men dacht dat de kinderen moesten boeten voor de fouten van hun ouders spreekt Ezechiël een tegenwoord: Waarom gebruiken jullie in Israël toch het spreekwoord: Als de ouders onrijpe druiven eten, krijgen de kinderen stompe tanden?... nooit meer mag iemand bij jullie in Israël dit spreekwoord in de mond nemen! (Ez. 18:2-3). Kinderen zijn niet verdoemd omdat hun ouders slecht waren. In de eerste lezing gaat Ezechiël verder door te stellen dat je ook niet bent gedetermineerd door je eigen verkeerde daden in het verleden. Hij zegt: Een slecht mens die zich afkeert van zijn goddeloze levenswijze en voortaan handelt naar recht en gerechtigheid, zal in leven blijven (18:27). Maar ook het omgekeerde geldt: Een goed mens die zich niet langer rechtvaardig gedraagt maar onrecht begaat, zal sterven… (18:26).

Ezechiël leert ons dus, dat je niet gedetermineerd bent door wat anderen vóór jou hebben gedaan, maar ook niet door je eigen beslissingen in het verleden, door je vroegere daden. Je toekomst wordt niet bepaald door datgene wat je in het verleden was, maar door wat je nu bent. Dit heeft twee kanten. Aan de ene kant betekent dit dat het goede dat in jou zit, jouw deugdzaamheid, aangevochten wordt. Je kunt het verliezen. Het is geen onvervreemdbaar bezit, je moet het je telkens eigen maken. Maar het betekent van de andere kant ook dat, wanneer je het niet goed hebt gedaan, je telkens nieuwe kansen krijgt. Ook het kwaad is geen onvervreemdbaar bezit. Je kunt het afleggen.

Ten slotte steekt Ezechiël zijn hoorders een riem onder het hart door te wijzen op het feit dat God het leven wil: Denken jullie dat Ik het toejuich als een slecht mens sterven moet? – spreekt God, de HEER. Nee, ik wil dat hij tot inkeer komt en in leven blijft (18:23). Ezechiël eindigt zijn profetie dan ook met een oproep: Kom tot inkeer en leef! (18:32). Onze toekomst ligt in onze eigen handen. Of deze toekomst leven is, hangt af van ons zelf. Wat God betreft: Hij wil dat wij leven.

Tot zover de boodschap van de profeet. Nu het evangelie. Wat Matteüs te zeggen heeft verschilt niet zo veel van de oproep van Ezechiël. Jezus vertelt een korte parabel over een vader die zijn zonen vroeg om te gaan werken in zijn wijngaard. De ene zei ja, maar ging niet. De andere zei nee, bedacht zich en ging alsnog.

Die ene die ja zei, is het religieuze kader, de hogepriesters en de oudsten. Zij zijn ervan overtuigd dat zij de regels kennen en onderhouden. Daarom zien ze niet dat ze fouten maken. Ze laten zich niet corrigeren door Johannes de Doper en Jezus. De andere die nee zei en het toch deed, zijn de tollenaars en de hoeren, de zondaars en de heidenen. Ze hebben zich laten gezeggen door Johannes en door Jezus. Daarom gaan zij het koninkrijk van God binnen.

Ook bij Matteüs blijkt dus dat, net bij Ezechiël, een vroom verleden geen garantie is, en deugdzaamheid geen onvervreemdbaar bezit. De hogepriesters en de oudsten zeiden ja, maar hebben de wil van de vader niet gedaan. Van de andere kant: je bent niet gedetermineerd door een minder braaf verleden. De tollenaars en de hoeren zeiden eerst nee en gingen toch. Je krijgt steeds nieuwe kansen. Het Rijk van God blijft open voor wie wil.

De woorden van Ezechiël en van Jezus wekken ons op om ons niet te laten verlammen door het verleden. Degenen die zich verstandig en vroom wanen worden aangespoord om zich open te stellen voor kritiek. En zij die zichzelf niet verstandig of deugdzaam vinden, maar zich angstig en bedreigd voelen, onzeker en machteloos, teleurgesteld en verbitterd, worden opgeroepen om zich niet te laten determineren door dit soort gevoelens. Deze gevoelens verstikken en verlammen en maken blind voor de nieuwe kansen die worden geboden. Het Rijk van God, het rijk van vrede en gerechtigheid, Gods nieuwe wereld, kan alleen maar komen wanneer je gelooft in de mogelijkheid ervan. Dit koninkrijk wordt alleen maar werkelijkheid, telkens wanneer je ervoor kiest. Ons aanvankelijk neen kan altijd worden omgezet in een ja. Zo worden allen, vroom of niet vroom, opgeroepen om zich telkens weer te bekeren, zich niet te laten verlammen door eigen opvattingen en principes, of gevoelens van onmacht en wanhoop. Via de woorden van de profeten Ezechiël, Johannes en Jezus lokt de levende God ons uit onze tent om in leven te blijven.

Open the PDF · p. 1 ↗From: homily sheet · 1 October 2023

Full text, reproduced with the parish’s permission. (PDF, 3 pages)

Source