BezinningBegijnhofkapel
Katholiek kerk en slavernij: Suriname

In de vorige Kapelkrant schreef ik me wat meer te willen verdiepen in de katholieke kerk en slavernij. Dat is natuurlijk een erg groot onderwerp, daarom doe ik af en toe een stukje. Deze keer over de katholieke kerk en Suriname in de slaventijd.
De Republiek der Nederlanden die in 1588 was opgericht was protestants, ook het bestuur. Katholieken mochten er wel zijn maar niet in het openbaar hun godsdienst belijden. Deze tijd van de schuilkerken duurde officieel tot de grondwet van 1848, al werd er al vanaf eind 18e eeuw steeds meer toegestaan.
Maar de eerste tijd was dus veel strenger. En dat had ook als gevolg dat de katholieke kerk tot 1786 niet werd toegestaan in Suriname.
In 1667 werd Suriname van Nederland en kwam het onder beheer van de Sociëteit van Suriname. Die bepaalde dat niemand van de ‘paapsche’ religie in de kolonie mocht verblijven of een ambt mocht bekleden. Katholieke geestelijken werden tot 1786 eenvoudig niet in Suriname geduld.
Wel was er in 1683 al een groepje van vier Franciscanen naar Suriname gekomen. In die tijd was Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck er gouverneur. Hij had een derde van de kolonie gekocht en de West-Indische Compagnie en de stad Amsterdam bezaten ook elk een derde. Van Sommelsdijk wist dat er ook katholieke planters in Suriname waren en hij vond het goed dat de Franciscanen kwamen. Drie van de vier paters waren al snel overleden door uitputting en ziekte en de vierde was teruggegaan naar Nederland. Maar Van Sommelsdijck had grote ruzie gekregen met de Sociëteit van Suriname. Daarna is er een eeuw lang geen priester in het land geweest.
In 1786 werden katholieke priesters in de kolonie toegelaten, maar er mocht niet veel. Ze mochten geen kerken bouwen, geen priesterkleding dragen, geen slaafgemaakten dopen en er mochten geen religieuze manifestaties zijn. Een ander probleem was dat veel priesters stierven aan malaria. Dus erg veel heeft de kerk er toen niet kunnen doen.
Sommige mensen die in slavernij uit Afrika naar het Caribisch gebied kwamen, waren al katholiek.
Dat zit zo: het katholieke Spanje en Portugal waren al vanaf de 15e eeuw actief in West-Afrika, zoals op Madeira, Canarische Eilanden, Kaapverdië en ze introduceerden daar het katholicisme. Sommigen waren dus al gedoopt of in elk geval bekend met het katholieke geloof voordat ze als slaafgemaakten aankwamen in de Cariben.
Op Curaçao was het katholicisme wel toegestaan en ging de katholieke Kerk er aan het werk. De protestantse overheid was op Curaçao zo tolerant naar katholieken, omdat er veel handel werd gedreven met katholieke landen. Curaçao was nl. een belangrijk centrum voor de internationale slavenhandel.
Eind 17e eeuw was bijna de hele inheemse gemeenschap en bijna de helft van de slaafgemaakten op Curaçao katholiek gedoopt. En zo kwam het dat veel slaafgemaakten katholiek waren en hun eigenaren protestants.
In Suriname was de situatie dus heel anders. Hier geen handel maar plantages. Protestanten doopten hun slaafgemaakten niet en zendingswerk was er niet toegestaan. De Evangelische Broedergemeente (EBG) die in 1735 11 kwam, mocht eerst alleen zendingswerk doen onder inheemsen en marrons en pas vanaf 1830 op de plantages. Dit na jarenlange tegenwerking door de eigenaren. Natuurlijk waren die bang dat de boodschap dat alle mensen voor God evenveel waard zijn, tot opstand zou leiden.
Maar toen de afschaffing van de slavernij steeds dichterbij kwam, bedachten de eigenaren dat gekerstend zijn misschien ook zou kunnen helpen mensen in het gareel te houden en juist opstanden te voorkomen. De EBG werd de meerderheidskerk in Suriname.
Rond 1840 kreeg ook de katholieke kerk toestemming voor missiewerk onder slaafgemaakten. In het emancipatiejaar 1863, waren er op een totale bevolking van 53.000 mensen 27.500 EBG-leden en 12.000 katholieken.
Open de PDF · p. 11 ↗Uit: parochieblad
Volledige tekst, overgenomen met toestemming van de parochie. (PDF, 14 pagina’s)