
HomilíaKrijtberg
Sexto Domingo de Pascua
Traducción automática, verificada de forma independiente · Zesde zondag van Pasen
Hace años visité una iglesia en Haarlem, construida en un barrio de casas bajas, un edificio neogótico de comienzos del siglo XX. Un gran espacio con todo todavía en él y sobre él. El párroco constructor había hecho edificar la iglesia con su propio patrimonio. Durante generaciones, personas se habían esforzado por adornar la iglesia con estatuas, pinturas y vitrales. Pero la iglesia iba a ser demolida. En el jardín de la casa parroquial había un gran árbol, que ya estaba allí antes de que se construyera la iglesia. El árbol seguiría en pie. Él sí. Pero la casa de Dios tenía que desaparecer. Cada demolición de una iglesia tiene algo de batalla perdida. Parece que Dios y la religión desaparecen cada vez más del paisaje urbano y de la sociedad.
Hoy, con motivo de las lecturas, quiero decir algo sobre el habitar de Dios entre los hombres. Rabinos judíos han hecho una afirmación al respecto. Dios habita en todo el cosmos, pero sobre todo en la tierra prometida. Habita en la tierra prometida, pero sobre todo en Jerusalén. Habita en Jerusalén, pero sobre todo en el templo.
Lo notable es que esta afirmación data de una época en que el templo ya hacía tiempo que no existía. Tendremos, pues, que resolver de otra manera la pregunta de cómo Dios está presente entre los hombres. La misma Biblia da indicaciones.
El profeta Isaías, mientras Jerusalén y el templo yacen en ruinas, pone en boca de Dios las siguientes palabras: Yo habito en la altura y en la santidad, y con los quebrantados y humildes de espíritu (Is. 57:15). Pablo dice sin rodeos que nosotros mismos somos el templo: ¿No sabéis que sois templo de Dios y que el Espíritu de Dios habita en medio de vosotros? (1 Cor. 3:16, cf. 2 Cor. 6:16, Ef. 2:19-22).
Otra indicación la encontramos en la segunda lectura, del libro del Apocalipsis. Aquí se describe la Jerusalén celestial. Esta nueva Jerusalén debe entenderse como un modelo de una sociedad humana según el designio de Dios. La nueva Jerusalén se opone a Babilonia, una ciudad donde reinan el egoísmo, la ley del más fuerte, la violencia y el caos. En la Jerusalén
celestial, la ciudad donde las personas están unidas entre sí, allí se encuentra Dios. Aquí no hay templo, porque Dios, el Señor, el Todopoderoso, es su templo (Ap. 21:22). Las personas viven aquí en un espacio divino.
El habitar de Dios con los hombres es también el tema de la lectura del evangelio de Juan. Es una parte del discurso en que Jesús se despide de sus discípulos después de la última cena, poco antes de su muerte. Los discípulos son retratados como un grupo de personas inseguras y sin comprensión. Tendrán que seguir sin su querido maestro. Por encima de la cabeza de los discípulos, Juan hace hablar a Jesús dirigido a su propia comunidad, en alguna parte de Asia Menor, dos generaciones después de la muerte de Jesús. Y por encima de la cabeza de sus parroquianos, Juan nos habla a nosotros, en una época que suele denominarse 'poscristiana'. ¿Cómo puede experimentarse ese Jesús lejano y ausente como una presencia que inspira y da dirección?
La lectura del evangelio de hoy da una respuesta a esta pregunta. Juan no nos lo pone fácil. A veces suena abstracto, de difícil acceso, esotérico. Destaco dos frases del evangelio de hoy con las que podemos hacer algo. La primera frase dice: Si alguien me ama, guardará mi palabra, y mi Padre lo amará, y mi Padre y yo vendremos a él y haremos morada en él (Jn. 14:23). La mejor manera de dar un lugar en tu vida a un ser querido fallecido es dejarte inspirar por sus ideales, hacer que esos ideales se hagan realidad. Así él o ella sigue viviendo en ti y en tus actos. Esto también les sucede a los discípulos. Deben terminar lo que Jesús comenzó. Poner en práctica el amor que Jesús predicó. Cuando las personas aman, Dios habitará con ellas.
La segunda frase a la que quiero llamar su atención es la siguiente: La paz os dejo, mi paz os doy; no os la doy como la da el mundo. No se turbe vuestro corazón ni pierda el ánimo (Jn. 14:27). Hace poco, el Día de la Liberación, celebramos la paz. La paz debe ser conquistada. No es una herencia recibida pasivamente, sino una tarea. No es una paz impuesta por los poderosos, como lo hacían entonces los romanos. Los potentados autoritarios no traen una paz verdadera. Tampoco la sociedad de consumo trae una paz verdadera, no una paz para todos. La paz surge solo donde reina la solidaridad mutua.
Cuando Israel ya no tuvo templo donde poder localizar a Dios, se buscó a Dios en los humildes de espíritu, en el corazón de las personas. Ahora que la presencia visible de Dios en forma de edificios de iglesia e instituciones disminuye, se nos desafía de una nueva manera a buscarlo allí donde al menos está presente: donde las personas construyen moradas para su ciudad de paz. Allí habita Dios en medio de ellos.
Texto original · Neerlandés
Zesde zondag van Pasen
Jaren geleden bezocht ik een kerk in Haarlem, gebouwd in een wijkje met lage huizen, een neogotisch gebouw uit het begin van de 20ste eeuw. Een grote ruimte met alles er nog op en aan en in. De bouwpastoor had de kerk uit eigen vermogen laten bouwen. Generaties lang hadden mensen hun best gedaan om de kerk te versieren met beelden en schilderingen en glas-in-loodramen. Maar de kerk zou gesloopt worden. In de pastorietuin stond een grote boom, die er al was voordat de kerk gebouwd werd. De boom zou blijven staan. Hij wel. Maar het godshuis moest verdwijnen. Iedere kerksloop heeft iets van een verloren veldslag. Het lijkt of God en godsdienst steeds meer verdwijnen uit het stadsbeeld en de samenleving.
Vandaag wil ik naar aanleiding van de lezingen iets zeggen over Gods wonen onder de mensen. Joodse rabbi's hebben hier een uitspraak over gedaan. God woont in de hele kosmos, maar vooral in het beloofde land. Hij woont in het beloofde land, maar vooral in Jeruzalem. Hij woont in Jeruzalem, maar vooral in de tempel.
Het merkwaardige is dat deze uitspraak dateert uit een tijd dat de tempel er al lang niet meer was. We zullen dus de vraag hoe God onder de mensen aanwezig is op een andere manier moeten oplossen. De Bijbel zelf geeft aanwijzingen.
De profeet Jesaja legt God, terwijl Jeruzalem en de tempel in puin liggen, de volgende woorden in de mond: In hoogheid en heiligheid zal ik tronen met hen die gebroken zijn en nederig van geest (57:15). Paulus zegt onomwonden dat wij zelf de tempel zijn: U weet toch dat u een tempel van God bent en dat de Geest van God in uw midden woont? (1 Kor. 3:16, vgl. 2 Kor. 6:16, Ef. 2:19-22).
Een andere aanwijzing vinden we in de tweede lezing, uit het boek Openbaring. Hier wordt het hemelse Jeruzalem beschreven. Dit nieuwe Jeruzalem is te verstaan als een blauwdruk van een menselijke samenleving naar Gods bedoeling. Het nieuwe Jeruzalem staat tegenover Babylon, een stad, waar zelfzucht, het recht van de sterkste, geweld en chaos heersen. In het hemelse
Jeruzalem, de stad waar mensen met elkaar verbonden zijn, daar is God te vinden. Hier is geen tempel, want God, de Heer, de Almachtige, is haar tempel (Ap. 21:22). De mensen leven hier in een goddelijke ruimte.
Gods wonen bij mensen is ook het thema van de evangelielezing van Johannes. Het is een gedeelte van de rede waarin Jezus afscheid neemt van zijn leerlingen na het laatste avondmaal, vlak voor zijn dood. De leerlingen worden getekend als een groepje onzekere, niet begrijpende mensen. Ze zullen zonder hun geliefde leraar verder moeten. Over de hoofden van de leerlingen heen laat Johannes Jezus spreken tot zijn eigen gemeente, ergens in Klein-Azië, twee generaties na de dood van Jezus. En over de hoofden van zijn parochianen spreekt Johannes tot ons, in een tijd die wel als 'postchristelijk' wordt aangeduid. Hoe is die verre en afwezige Jezus toch als inspirerende, richtinggevende aanwezigheid te ervaren?
De evangelielezing van vandaag geeft een antwoord op deze vraag. Johannes maakt het ons niet makkelijk. Hij klinkt soms abstract, moeilijk toegankelijk, esoterisch. Ik licht twee zinnen uit het evangelie van vandaag waar we iets mee kunnen doen. De eerste zin luidt: Wanneer iemand mij liefheeft zal hij zich houden aan wat ik zeg, mijn Vader zal hem liefhebben en mijn Vader en ik zullen bij hem komen en bij hem wonen (Joh. 14:23). De beste manier om een dierbare gestorvene een plaats te geven in je leven is je te laten inspireren door zijn of haar idealen, deze idealen werkelijkheid laten worden. Zo blijft hij of zij voortleven in jou en in jouw daden. Dit is ook met de leerlingen het geval. Zij moeten afmaken wat Jezus is begonnen. De liefde die Jezus preekte in praktijk brengen. Wanneer mensen liefhebben zal God bij hen wonen.
De tweede zin waar ik de aandacht op wil vestigen is de volgende: Ik laat jullie vrede na; mijn vrede geef ik jullie, zoals de wereld die niet geven kan. Maak je niet ongerust en verlies de moed niet (Joh. 14:27). We hebben pas op Bevrijdingsdag de vrede gevierd. Vrede moet worden bevochten. Het is geen passief te ontvangen erfenis, maar een opdracht. Het is niet een vrede die door machthebbers wordt opgelegd, zoals destijds de Romeinen deden. Autoritaire potentaten brengen geen echte vrede. Ook de consumptiemaatschappij brengt geen echte vrede, geen vrede voor iedereen. Vrede ontstaat alleen waar onderlinge solidariteit heerst.
Toen Israël geen tempel meer had waar het God zou kunnen lokaliseren, werd God gezocht in de nederigen van geest, in het hart van mensen. Nu de zichtbare presentie van God in de vorm van kerkgebouwen en instituties afneemt, worden we op een nieuwe manier uitgedaagd om Hem te zoeken waar Hij in ieder geval aanwezig is: waar mensen woningen bouwen voor zijn stad van vrede. Daar woont God in hun midden.
Abrir el PDF · p. 1 ↗De: hoja de homilía · 25 de mayo de 2025
Texto íntegro, reproducido con permiso de la parroquia. (PDF, 3 páginas)
Fuentes
Inglés: PDF ↗