HolytideVida católica en Ámsterdam
Ilustración: Frieze with Nine Birds Perched on a Vine, Franz Isaac Brun (ca. 1555–1610) · The Metropolitan Museum of Art, CC0 1.0 (Met Open Access)

HomilíaKrijtberg

1er Domingo de Cuaresma, año C

Traducción automática, verificada de forma independiente · 1e zondag Veertigdagentijd, jr. C

Fecha según el nombre del archivo de la iglesia.

Hermanos y hermanas, oímos en la primera lectura que Dios liberó al pueblo judío de Egipto, donde tenían que trabajar como esclavos. El Señor les devolvió la libertad. En respuesta a ello, Moisés dice que el pueblo debería acercarse a Dios, postrarse ante Él y ofrecerle las primicias de la tierra. En realidad, eso es lo que hacemos aquí cuando nos reunimos para celebrar la Eucaristía. Todo podemos depositarlo ante Él: nuestras preocupaciones por la situación del mundo, la guerra en Ucrania o en Oriente Medio, nuestras propias preocupaciones y nuestra súplica de liberación de estas situaciones. Pero también las cosas por las que estamos agradecidos en nuestra vida: nuestras familias y amigos, la paz en nuestras regiones, el trabajo que se nos permite hacer por Él.

En el Evangelio oímos cómo Jesús es tentado tres veces por el diablo para hacer el mal. Aquí está más que claro que es el diablo quien lo hace. Pero muchas veces es más insidioso, como con la serpiente con Adán y Eva. Desde el principio de la creación, el hombre se ve confrontado con el mal en este mundo. Las personas abusan de su poder. Hemos visto cómo en los últimos diez años vuelven a producirse violaciones de los derechos humanos en Europa, la libertad de expresión en Rusia y el derecho a una existencia segura en Ucrania. La pregunta es siempre: ¿rechazamos esas violaciones, o participamos en ellas?

En el Evangelio el diablo lleva a Jesús a la parte alta de la puerta del templo y le dice: ‘si Tú eres el Hijo de Dios, tírate abajo: los ángeles te sostendrán’. Aquí el diablo en realidad le pregunta a Jesús si quiere renunciar, si quiere destruirse a sí mismo. Por desgracia, vemos demasiado a menudo que las personas se dañan a sí mismas y a otros por ir demasiado lejos, ya sea por el consumo de alcohol o drogas, por oponerse al otro en las relaciones, por poner en juego la amistad y el amor. Jesús dice también: ‘No pondrás a prueba al Señor tu Dios’. Dios, que es amor, nos ha dado la libertad, pero debemos usar esa libertad de buena manera.

La Cuaresma es un tiempo de reflexión y oración, de moderación y de obras de misericordia. Podemos mirar cómo nosotros mismos, a nuestra manera, podemos contribuir a más justicia en nuestro mundo, por ejemplo prestando atención a las personas enfermas o solitarias, o que sufren bajo otro mal.

Al igual que Jesús en el desierto, estamos expuestos diariamente a toda clase de tentaciones. ¡Qué difícil es, por ejemplo, salir adelante en este mundo sin ensuciarse las manos! Pero también en lo pequeño, en el trato con las personas: ¡qué grande es la tentación de exaltarse a sí mismo con las palabras que uno habla y de poner al otro en la sombra! Cometeremos errores de vez en cuando, eso es inevitable. Porque eso es simplemente inherente a nuestra débil naturaleza humana. Sin embargo, incluso con nuestros errores podemos encontrar gracia ante nuestro querido Señor. Con tal de que lo depositemos ante Él. Eso significa, por supuesto, que primero debemos admitir nuestros errores. En este Año Jubilar hay diversas ocasiones para ello: algunos hacen una peregrinación a Roma o a la catedral de Haarlem o a la concatedral de Ámsterdam o a uno de los otros lugares jubilares de nuestra diócesis, donde también habrá oportunidad de confesión y adoración, igual que en nuestra propia iglesia.

Queridos hermanos, no siempre somos perfectos: ninguno de nosotros. Por eso venimos aquí: para postrarnos ante Dios. Porque nos damos cuenta de que somos personas corrientes. Y de que dependemos de la bondad de Dios. Para esto son estos cuarenta días: para recordárnoslo de nuevo. Sin embargo, podemos estar tranquilos: si abrimos nuestro corazón a Dios, Él está dispuesto a darnos todo lo que necesitamos. Amén.

Texto original · Neerlandés

1e zondag Veertigdagentijd, jr. C

Broeders en zusters, we hoorden in de eerste lezing dat God het Joodse volk heeft bevrijd uit Egypte, waar ze als slaven moesten werken. De Heer heeft hen de vrijheid teruggegeven. In reactie daarop zegt Mozes dat het volk van God naar God toe zou moeten komen, zich voor Hem neerbuigen en de eerste vruchten van het land aan Hem zouden aanbieden. Feitelijk is dat het, wat wij hier doen als wij samenkomen om Eucharistie te vieren. Alles mogen we voor Hem neerleggen: onze zorgen om de situatie in de wereld, de oorlog in de Oekraïne of in het Midden-Oosten, onze eigen zorgen en ons smeken om bevrijding uit deze situaties. Maar ook de dingen waar we dankbaar voor zijn in ons leven: onze families en vrienden, de vrede in onze streken, het werk dat we voor Hem mogen doen.

In het Evangelie hoorden we hoe Jezus tot driemaal toe wordt verleid door de duivel om kwaad te doen. Hier is het overduidelijk dat het de duivel is die dat doet. Maar vaak gaat het geniepiger, zoals met de slang bij Adam en Eva. Al vanaf het begin van de schepping wordt de mens geconfronteerd met het kwaad in deze wereld. Mensen maken misbruik van hun macht. We zien de mensenrechtenschendingen de laatste tien jaar weer gebeuren in Europa, de vrijheid van meningsuiting in Rusland en het recht op een veilig bestaan in Oekraïne. De vraag is steeds: wijzen wij die schendingen af, of gaan we erin mee?

In het Evangelie brengt de duivel Jezus boven op de tempelpoort en zegt tot Hem: ‘als U de zoon van God bent, gooi uzelf dan naar beneden: de engelen zullen u wel opvangen’. Hier vraagt de duivel eigenlijk aan Jezus of Hij het wil opgeven, of Hij zichzelf wil vernietigen. Helaas zien we dat maar al te vaak, dat mensen zichzelf en anderen kwaad berokkenen door te ver te gaan, of het nu is door drank- of drugsgebruik, door in relaties de ander tegen te werken, door vriendschap en liefde op het spel te zetten. Jezus zegt dan ook: ‘Je moet de Heer uw God niet op de proef stellen’. God die liefde is, heeft ons vrijheid gegeven, maar wij moeten die vrijheid wel op een goede manier gebruiken.

De Veertigdagentijd is een tijd van reflectie en gebed, van matigheid en van daden van barmhartigheid. We kunnen kijken hoe wij zelf op onze eigen manier een bijdrage kunnen leveren aan meer rechtvaardigheid in onze wereld, bijvoorbeeld door aandacht te besteden aan mensen die ziek zijn of eenzaam, of die gebukt gaan onder ander kwaad.

Net als Jezus in de woestijn, staan wij dagelijks bloot aan allerlei verleidingen. Hoe moeilijk is het bijvoorbeeld in deze wereld verder te komen, zonder dat je daarbij je handen vuil maakt? Maar ook in het klein, in de omgang met mensen: hoe groot is niet de verleiding om met de woorden die je spreekt jezelf te verheffen en die ander in de schaduw te zetten? We zullen van tijd tot tijd fouten maken, dat is onvermijdelijk. Wat dat is nu eenmaal inherent aan onze zwakke menselijke natuur. Toch mogen we ook zelfs met onze fouten nog goed wegkomen bij onze lieve Heer. Als we het maar voor Hem neerleggen. Dat betekent natuurlijk wel dat we onze fouten eerst moeten toegeven. In dit jubeljaar zijn daar diverse gelegenheden voor: sommigen maken een pelgrimstocht naar Rome of naar de kathedraal van Haarlem of de co-kathedraal in Amsterdam of een van de andere jubileumplaatsen in ons bisdom, waar ook biechtgelegenheid en aanbidding zullen zijn, net als in onze eigen kerk.

Beste mensen, we zijn niet altijd volmaakt: niemand van ons. Daarom komen we hier: om ons neer te buigen voor God. Omdat we beseffen dat we maar gewone mensen zijn. En dat we afhankelijk zijn van de goedheid van God. Daar zijn deze veertig dagen voor: om ons dat weer in herinnering te brengen. We mogen echter gerust zijn: als wij ons hart voor God openen, dan is Hij bereid ons alles te geven wat we nodig hebben. Amen.

Abrir el PDF · p. 1 ↗De: hoja de homilía · 9 de marzo de 2025

Texto íntegro, reproducido con permiso de la parroquia. (PDF, 2 páginas)

Fuente